Burkina Faso - Benin - Togo
26 november 2009 Koro – Bobo Dioulasso– 435 km Vandaag is ROOD … de kleur!
Als we ons hoofd buiten de tent steken worden we gelijk lastig gevallen door een drietal mannen die ons van alles willen verkopen. Het is binnenkort ‘Tabaski’ en voor dat feest hebben de mensen extra geld nodig. Het is een gebruik dat elk gezin een schaap offert, die rondom deze tijd extra duur worden. Als je niet aan het gebruik kunt voldoen, is dat beschamend voor de hele familie. Tja… en daar zijn wij de dupe van. Voor het eerst zien we ook pas waar we terecht zijn gekomen. Op een klein stukje aftands land, met een betonnen terras met plastic stoeltjes met een grote sobere schuur als uitvalbasis voor alles wat uit de keuken moet komen. Dat is dan ook ‘NIKS’ met hoofdletters. Het water voor de thee en koffie is uit zichzelf al bruin en het brood is oud. We laten alles staan en vertrekken gelijk!
Na nog geen 5 minuten rijden dient de douane zich aan waar ik ons carnet inlever. Dat was alles. Na een paar honderd meter krijg ik van twee vrolijke, enthousiaste mannen onze ‘exit-stempels’ voor Mali. Ik kijk naar hun brede, stralend witte glimlach: zo kijk ik ook terug op ons bezoek aan Mali… met één grote, stralende glimlach!
Burkina Faso inkomen is zo gepiept: super vriendelijke mensen die in een paar seconden hun werk doen en ons de juiste stempels geven zonder er iets voor terug te verlangen. Volgens de reisgidsen zijn alle West Afrikaanse landen jaloers op de efficiency van Burkina. Ook bij de douane heb ik binnen tien minuten een ‘carnet de passage’ en zijn ze tevens bereid ons eigen carnet nog in te vullen. Voor 5.000 CFA’s kunnen we de komende dagen door dit land rijden. Een land dat alle reizigers als ‘fantastisch’ wordt omschreven, omdat de mensen er zo aardig zijn… onze verwachtingen zijn hoog gespannen!
We rijden over een brede rode piste door een saai landschap. Een slap aftreksel van alle prachtige beelden die wij nog op ons netvlies hebben staan van Mali. Langzaam kleurt de motorkap roze, verzamelt zich een rode laag stof over ons dashboard en kleuren onze handen oranje als we een fles water vast pakken. Als we stoppen om een broodje te eten zien we dat de witte achterkant van onze auto ook is getransformeerd in de kleur van ons eigen kikkerlandje: alles is ORANJE! Als we de achterdeuren openen, vliegt alle oranje zand naar binnen, maar ook zonder dat zand heeft alles al een stoffige en bronze look gekregen. Hoezo… bloed kruipt waar het niet gaan kan… hetzelfde geldt voor zand! Zelfs als wij de afgetimmerde en afgesloten inbouwboxen in het interieur openen is alles gehuld in het rode zand. We besluiten direct door te rijden naar Bobo en ons intrek te nemen in Campement Le Pacha. Een goede keus: aan het einde van de oprit een leuke veranda, c.q. restaurant en aan de rechterkant een campingplaats voor drie auto’s. Er staat al een blauwe Discovery met daktent en een Frans nummerbord. De man (60) en de jonge vrouw (40) begroeten ons overenthousiast (voor een Frans echtpaar) en het verbaasd ons dus niets als ze ons in het Engels welkom heten in dit Culinaire Paradijs! Met Clive & Taniya kunnen we onze reis van Marokko tot Bobo nog eens rustig doornemen… leuk om ervaringen te delen en het klikt gelijk. Wij blijven nog twee daagjes in Bobo en zij trekken door naar Ouaga. Maar we gaan elkaar zeker ontmoeten: met kerst… bij The Green Turtle Lodge… waar we Henk Jan, Maureen en Daffie ook weer hopen te treffen!
27 – 28 november 2009 Bobo Dioulasso Culinaire hoogstandjes in Burkina!
Als we wakker worden is nog steeds alles rood: wijzelf, de tent (zelfs van binnen), het beddengoed, de binnenkant en de buitenkant van de auto. Clive & Taniya lachen met een blik van herkenning en benadrukken nogmaals dat zij er twee dagen voor nodig hadden om alles weer een beetje proper te krijgen. Net als ik de hele daktent heb leeg gehaald (donsdek, lakens, matras met donkerrood overtrek, kussens) en Ronald de hele auto heeft uitgepakt, komt een meisje van de camping vragen of ze alstublieft onze was mag doen. “Lieve schat, je weet niet wat je vraagt. Daar staat het: een hele vuilniszak vol rode handdoeken, korte broeken, T-shirts, ondergoed en sokken. En dan moet het beddengoed ook nog even door een sopje worden gehaald”. Maar de goedgemutste Burkinabé heeft de vuilniszak al te pakken en grist het net uitgeklopte roze beddengoed van de waslijn. Het feit dat de dames op deze wijze wat kunnen bijverdienen, wij op legitieme wijze wat kunnen doneren, gecombineerd met het verhaal van Clive over twee vuilniszakken (inmiddels schone) was en zeer blije dames, sust mijn gemoedsrust. De kleurrijke handstoffer die ik vorig jaar bij de bestuurswissel van Simone kreeg, doet goed dienst. De natte lappen die we daarna gebruiken zijn (in onze beleving) écht niet meer schoon te krijgen, echter de Burkinabé’s vissen die weer stiekem uit onze vuilnis. Pas als onze slaapkamer weer ruikt naar fris beddengoed en alles in de auto weer (schoon) aangepakt kan worden, vertrekken we naar de ontbijttafel. Yoghurt met vers fruit, verse jus en een fantastische omelet: wat een weelde!
We zitten zo heerlijk op de veranda dat we besluiten er een heerlijke leesdag van te maken. Als rond 14.00 uur het terras zich vult met Franse gasten, krijgen we zelf ook zin in een lunch. De vleesspies die we beiden bestellen is de beste die we in maanden gehad hebben. Als ons buikje rond is, verheugen we ons al weer op de pizza die we voor het diner zullen bestellen. Dit is nou echt ‘Culinair Bijtanken’!
We worden wakker van muziek en dans, vrolijke kreten en feestgedruis. Vandaag is het ‘Tabaski’. Alle ‘Burkinabé’s zijn op straat in hun mooiste kleding, alle gezinnen offeren een schaap, waarvan ze eenderde schenken aan de armen, eenderde aan hun familie en vervolgens het laatste derde deel zelf kunnen nuttigen. We gaan lopend naar het centrum van Bobo Dioulasso, bezoeken de grote markt en duiken sinds veertien dagen weer een internetcafé in. Jan Brouwer is overleden en ook al begraven. Zo snel kan het gaan. Ik ben er helemaal naar van. Een paar dagen geleden, tijdens een lange autorit verscheen hij nog in mijn gedachten. Even was ik terug op een feest, stond ik met hem aan een praattafel en hoorde ik hem opnieuw zeggen dat hij dacht niet lang te zullen leven en dat hij zich zorgen maakte over zijn kinderen. Ik herinner me nog alle details van ons lange gesprek, waarvoor hij me destijds uitvoerig bedankte. Bizar! Ik heb geen zin meer om in de stad te zijn en dus gaan we terug naar onze minicamping, waar wij onszelf nogmaals trakteren op een fantastische vleespies. Je leeft maar één keer… dus laten we er optimaal van genieten!
29 november 2009 Bobo Dioulasso – Sabou – 554 km Een saaie dag offroad!
We zijn klaar met Bobo! Eigenlijk is het maar een klein eindje richting de hoofdstad van Burkina Faso, maar we hebben besloten om wat meer van het land te zien. En dus trekken we naar het zuiden, naar Banfora, waar we een prachtig meer en een mooie waterval kunnen bezichtigen. We rijden een lange tijd off-road door een saai stukje natuur, zien geen waterval en bezoeken het meer, waar niets bijzonders te zien is. We rijden door naar Gaoua, waar ook niets te zien is. En dus rijden we door naar Pa. Mijn god… wat een ontzettende omweg om in Ouagadougou uit te komen. En ‘off-road’ is weer ‘knalrood’. We hebben echt geen zin om al het zand weer uit alle hoeken van de auto te verwijderen. Wat een vervelende route’.
We rijden zo ver mogelijk en stranden helemaal moe een kleine honderd kilometer voor Ouagadougou in Sabou. Door een vervallen dorp komen we aan bij een meer met krokodillen. Als we er wandelend naar toe gaan worden we 10 meter voor de oever ‘overvallen’ door tig Burkinabé’s, die we eerst moeten betalen voor we verder mogen wandelen. Dan maar niet. We parkeren de landcruiser in een klein resort en besluiten in de tent te slapen (na het zien van de mega-eenvoudige kamers). In het bijbehorende restaurant dat om de hoek ligt eten we een allebei een heerlijk bord spaghetti voor nog geen vier euro. We duiken vroeg ons bed in… we zijn ‘klaar’ met deze saaie dag!
30 november 2009 Sabou – Ouagadougou– 97 km Eindelijk andere overlanders!
Afnokken hier. De auto staat krap op de inrit van de mini-lodge, die er volledig verlaten bij ligt. Buiten, net om de hoek eten we nog een mini-ontbijt in het bijbehorende ‘restaurant’. Best gezellig gemaakt, maar ook zonder ziel en zonder toerist of andere buurtbewoner. Het meer met de krokodillen slaan we even over. We rijden al vroeg en zijn om half 10 al aan de rand van Ouagadougou. Een megadrukke stad, met veel vrachtverkeer, auto’s en legio brommertjes. We rijden probleemloos naar de ambassade van Ghana en parkeren de auto voor de deur. Als we alle benodigde stukken bij elkaar rapen, ontdekt Ronald dat hij zijn pasfoto’s kwijt is. Terwijl hij de hele auto op de kop zet, vraag ik aan de portier of we ergens nieuwe foto’s kunnen maken. En zo lopen we tien minuten later door de straten van ‘Wagaa”.
Binnen driekwartier zijn we terug bij de ambassade, leveren alle stukken in en betalen ‘the fee’.
Na tig rondjes door de stad te hebben gereden en heel wat hotelletjes te hebben bezichtigd, besluiten we toch naar Hotel Oké Inn te gaan. Dat hotel wordt door veel overlanders op internet beschreven: je kunt er gratis op de parkeerplaats (in de tuin) staan, maar bent wel verplicht te dineren in het hotel. En dat schijnt geen straf te zijn…
Bij aankomst nuttigen wij er direct een lunch… en dat is zeker geen straf! Bovendien mogen we gebruik maken van een WC, een douche en het zwembad, en… overal hebben we draadloos toegang tot internet. Feest! Als we rond 16.00 uur terug komen bij de auto hebben ook het engelse stel Clive & Taniya en het Oostenrijkse stel Martin & Alexia zich op de parkeerplaats geïnstalleerd. Net voor het donker wordt voegt een Duits stel zich aan ons gezelschap.Na zes maanden ontmoeten we eindelijk andere overlanders!
01 december 2009 Ougadougou Een MAGNUM-IJS voor een dagloon!
Engels, Frans, Duits of Oostenrijks… de Hollanders zijn weer als eerste uit de veren. We trakteren onszelf op een heerlijk ontbijt in het hotel en lezen even de Telegraaf op internet. Dan vertrekken we te voet, over de immens grote vrachtwagenparkeerplaats naar de doorgaande weg. Aan de overkant wisselen we bij The Western Union nog een paar euro’s voor West Afrikaans geld: dan kunnen we er weer even tegen. De twee dames achter de balie dragen allebei een pruik. Ik wijs naar hun haar en vraag of het ‘echt’ is en of ze er wel eens aan gedacht hebben om met elkaar te ruilen. Ze liggen in een deuk van het lachen, want ze hebben allebei een compleet andere coupe. Als ik het leuk vind, dan kunnen ze voor mij wel een paar van die pruiken kopen… die zijn slechts 3.000 CFA’s per stuk (4,5 euro). Ik bedank ze hartelijk en zeg dat ik zelf wel even op de markt ga kijken. Weer liggen ze in een deuk: “Maar jij bent een ‘toubab’, jij betaalt tien keer zoveel…”
We houden een taxi aan. Die wil ons naar de ambassade van Ghana brengen voor 2.500 CFA’s. “Hoezo… zoveel geld? Gister hebben ze ons voor 1.500 CFA’s meegenomen (wij zijn gister het terrein helemaal niet af geweest). “Prima”, zegt de taxichauffeur. “Voor dat geld wil ik jullie wel naar de ambassade brengen”. Ook weer geregeld. De man slaat direct rechtsaf een enorme off-roadweg in die vol zit met honderden gaten. Als hij ons verbaasd ziet kijken, legt hij ons uit dat deze route vele malen korter is dan via de hoofdweg. Onderweg pikt hij nog een jonge vrouw met een klein kind op, die mij de hele weg blijft aanstaren. Hoe is het mogelijk… we komen echt uit bij de ambassade.
We ontmoeten een Belg, die al 10 jaar in Gambia woont en nu even een korte rondreis door Burkina Faso maakt. Hij is Gambia helemaal zat en verhuist nog dit jaar naar Maleisië (is weer eens heel wat anders). Want al hoort hij bij de ‘inventaris’ van Sekuta en weet hij hoe om te gaan met corrupte politiemannen… hij heeft het daar helemaal gehad. Als we aan de beurt zijn, halen we onze paspoorten op en gaan nog te voet door Ouagadougou, richting de grote markt. Daar schijnt een supermarkt te zitten waar we weer van alles kunnen krijgen. We kijken onze ogen uit en ik koop bij vertrek een Magnum. Als ik nog geen tien passen buiten de supermarktmuren heb gezet, heb ik al tientallen blikken ontweken. Ik voel me ineens hoogst ongemakkelijk met die Magnum in mijn mond. Natuurlijk kijkt iedereen naar mij likkend aan dat ijsje. Voor de gemiddelde Burkinabé eet ik in vijf minuten een dagloon op. Heb ik haast niets aan, geen waardevolle spullen op mijn buik of rug en toch voel ik dat ik met dat ene kleine ijsje mijn vermogendheid uitstraal. En weg was de Magnum… ik weet niet eens meer hoe hij smaakt…
We lopen nog geen half uur door Ougadougou en al bekt de naam van de stad lekker… in de dagelijkse praktijk worden we niet door de stad ‘gegrepen’. We houden een taxi aan en laten ons naar de parkeerplaats van ons hotel brengen, waar we de middag en de avond aan tafel doorbrengen met alle andere overlanders. Super gezellig!
02 december 2009 Ougadougou – Tindangou – 347 km Dansende kinderen!
Heerlijk om weer te vertrekken… al is het beregezellig geweest met alle andere overlanders. Die liggen allemaal nog in hun bed te ronken als wij om 08.00 uur afscheid nemen van de parkeerwachter met een klein cadeau. Hij wijst ons de kortste weg richting de grens van Benin. Vlak voor deze ‘boardercross’ willen we graag nog ‘bushcampen’ in het National Parc d’Arli. Daar kunnen we olifanten, leeuwen en hippo’s spotten.
In totaal rijden we vandaag 347 km geheel over asfalt. We komen drie peage-kantoortjes tegen en betalen in totaal 1,20 euro om over deze prachtige zwarte “rode loper” te mogen rijden. We genieten van de natuur, van de dorpen, van de mensen en stoppen regelmatig voor kleine groepjes kinderen die naar ons zwaaien. We geven ze allemaal wat snoepjes en een balpen. Als we dan toch ergens wat moeten achterlaten, dan doen we dat graag hier. Het is in Burkina Faso aanzienlijk armer dan in de andere West Afrikaanse landen die wij bezocht hebben. De kindjes bedanken ons allemaal heel beleefd en als we weg rijden zie ik ze in de spiegel heel uitbundig dansen, juichen en naar huis rennen. Ongelofelijk hoe snel deze kinderhandjes gevuld zijn!
Als we om half twee al in Tindangou aankomen (nog 20 km van de grens van Benin), slaan we midden in het dorp linksaf een brede zandpiste op. Aan deze weg moet het National Parc liggen dat we graag willen bezoeken, maar er is geen bord met aanduiding te bekennen. Blijkbaar is Burkina nog niet ingericht op toeristen. Nergens staan 4×4’s klaar om belangstellenden dit prachtige stukje natuur te laten zien. We rijden 25 km in ‘the middle of nowhere’ en komen plots aan in een schattige basic safari lodge. We worden hartelijk ontvangen door zeker 12 mannen die hard aan het werk zijn om hier een klein paradijsje van te maken. We drinken met een drietal Burkinabé’s een borrel en beantwoorden al hun vragen over de auto, over onze reis, over Nederland, over Europa en andere (levens)vragen. We zijn weer aangekomen op een super plek!
03 december 2009 National Parc d’Arli Olifanten sporen!
We zijn om 06.00 uur al uit ons nest, want we vertrekken om 07.00 uur voor een dagtour door het National Park. Ronald wil graag olifanten spotten. Het is voor het eerst in zes maanden koud in de ochtendgloren: rond de 15 graden. We hebben elkaar beloofd om beter voor onszelf te zorgen en dus starten we de dag met een fatsoenlijk ontbijt (Ronald kan rustig de hele dag niets eten, terwijl ik dan halverwege de dag flauw val). Een verse jus, een kop pickwick thee en mango-joghurt met muesli. Exact 07.00 uur staat onze hele crew klaar: een chauffeur en twee gidsen… stuk voor stuk leuke knapen. We nemen plaats in een kleine, korte, knalgroene Landcruiser, die volledig is gestript en prima kan fungeren als vervoermiddel door een ongeciviliseerd wildpark. We rijden via de achterkant van het terrein van ‘The Safari Lodge’ af en gelijk is er geen weg meer te bekennen. We zien alleen hoog okergeel dor riet. En daar rijden we dus dwars doorheen. Onze 4×4 trekt een volledig nieuw spoor ‘into the wild’. De natuur is saai: hoog gras en dorre, kale bomen, maar wel van dusdanig omvang dat het wild voor onze ‘toebab-ogen’ moeilijk te spotten is. Daar hebben onze gidsen geen moeite mee. Binnen enkele minuten wijzen ze ons alle varianten van ‘reeën’ die in Lonneker in mijn achtertuin liepen. Verder zien we op de wat meer open vlakten sporen van leeuwen en treffen we overal olifantenstront. De voetsporen die de olifanten in de regentijd in de modder hebben achtergelaten zijn inmiddels flink aangedroogd en vormen voor ons een avontuurlijk 4×4 parcours. De gids op de achterste bank laat af en toe een brandende lucifer uit zijn handen vallen en zo zien we grote rookpluimen achter onze auto opstijgen. Heel normaal … volgens onze gids… wordt het straks tenminste weer mooi groen… dat is goed voor de grond en voor de dieren.
We rijden, rijden, rijden en rijden…stappen twee keer uit om onze tocht te voet langs de oever van een meer te vervolgen. Overal hebben de olifanten hun voetsporen en strontsporen achter gelaten… maar ze zijn in geen velden of wegen te spotten. Rond 12.00 uur vraagt onze gids of wij ‘thuis’ willen eten of in de bush… In het park tussen de leeuwen en olifanten lijkt ons fantastisch. En dus laten de gidsen ons achter bij een ‘Mirador’ (een grote houten uitkijktoren) en gaan zelf op pad om wat eten te regelen. Binnen 15 minuten zien we op 200 meter van ons vandaan het halve woud in vlammen opgaan. Twee van onze gidsen zijn weer aan het studeren voor ‘pyromaan’. Gelukkig zit er tussen het vuur en onze Mirador een groot meer, dus onze kant komt het vuur niet op. Na een half uur horen we een geweerschot en niet lang daarna komen de gidsen terug met drie fazanten. Ze maken een kampvuur, zetten twee grote stenen langszij en plunderen twee grote takken uit een boom die als spies gaan dienen. Vervolgens starten ze met het plukken van de fazanten om ze vervolgens van hun ingewanden te ontdoen. Niet lang daarna braden de drie stukken vlees , net zoals de kippetjes in de grill van onze Hollandse poelier. De mannen maken van groene takken en bladeren een tafel en gooien de drie stukken mals gegaard vlees erop. We wassen onze handen en gaan met ons vijven om de lunch heen zitten. Wat een overheerlijke en verse maaltijd! We stellen de mannen voor om een restaurant te openen met de naam ‘Les trois pyroman’…
Vol goede moed vervolgen we onze reis, maar het blijft bij een spannende 4×4 toer door de woeste natuur. Want … ook op ons pad hebben de olifanten hun sporen achter gelaten. Half omgetrokken bomen blokkeren onze weg en dus rijdt onze chauffeur dwars door het land, door het hoge gras en over struiken en minibomen om onze route te kunnen vervolgen. Het is een aparte dag met drie Burkinabé’s. Bij thuiskomst in de Safari Lodge bieden we de mannen een drankje aan. Ze grijpen de gelegenheid om een biertje te drinken (voor hun een half dagloon). Uit de auto haal ik onze laatste zak Lays Bolognaise chips en een potje groene olijven. Het is net een mini-verjaardagsfeest. Ik besluit nog even terug te lopen naar het kleine dorp, vlak voor onze lodge, waar wij twee kindjes hebben zien zwaaien en roepen. Eén van de gidsen loopt even met me mee. Ik kom terecht in een mini-dorp met vier ronde lemen huizen, met twee veranda’s met eigen gemaakte grote vierkante bedden vlak boven de grond. Midden op de binnenplaats hebben de vrouwen een groot kookeiland gemaakt met vijf platte stenen, waarop ze diverse soorten kruiden kapot maken door er met een steen overheen te wrijven. De drie vrouwen in het dorpen groeten me en geven me een rondleiding en brengen hun activiteiten in de praktijk. Ondertussen zijn de twee jongetjes ook ten tonele verschenen. Ik geef ze allebei een paar ‘bonbons’ en geef de rest van het zakje aan hun moeder. Ze beginnen keihard te juichen. Ik geef ze allebei een speelgoedauto, maar die bekijken ze of ze zoiets nog nooit eerder hebben gezien… en onze gids bevestigt dat. Wat een wereld. Als we ‘ons terrein’ weer opkomen loop ik naar de binnenplaats van de twintig medewerkers van de lodge zie ze alles klaar maken voor hun diner. Ik kijk onder het deksel van de pan… witte rijst… en alleen witte rijst… zonder saus. “Dat eten wij elke dag”, zegt onze gids met een grote glimlach op zijn gezicht.
Wij hebben vanmiddag voldoende gegeten en gedronken. Ik haal een grote emmer water en schenk met een beker wat in onze afwasteil. Voor de auto heb ik twee plastic stoelen neergezet… eentje voor mijn kleding… en eentje die als wastafel fungeert. Ik douche al het stof van me af en wordt ondertussen lek geprikt door alle muggen… als ik klaar ben tel ik 62 muggenbeten… blijkbaar ‘eten’ die graag verse ‘toebab’! Om 07.00 uur liggen wij weer in ons nest… om in slaap te vallen als kleine baby’s. Ronald enigszins teleurgesteld… hij wilde graag olifanten sporen en het enige wat hij zag was ‘olifanten-sporen’…
04 december 2009 Burkina Faso – Benin – Togo 265 km Een kastelenroute!
Na wederom een uitgebreid ontbijt zitten we om half acht al in de auto. We rijden weer 25 km piste naar de hoofdweg en slaan af richting de grens van Benin. Daar zijn we al rond half negen. Ik rij het grote plein op richting de douane, ontmoet de douanier op de veranda en lever ons ‘carnet de passage’ in. “Dat is alles”… roept de man vrolijk en wenst ons een goede reis. Een record: binnen 5 minuten zit ik weer in de auto op weg naar de politie. Die zit iets verderop aan de rechterkant. Een leuke man met uilenbrilletje noteert ons in het grote boek en zet nauwkeurig een ‘vertrekstempel’ in ons paspoort. Ook dat is binnen tien minuten gepiept. En zonder een cent te betalen.
Op naar de politie in Benin… dit keer zonder visum! Daar is de grote norse Beninees niet blij mee. Ik leg hem uit dat wij in de hoofdstad van Burkina Faso geen visum wilden kopen, omdat we daar vernamen dat we dit visum ook aan de Beninese grens konden krijgen. Immers dan gunnen we de autoriteiten van Benin het geld in plaats van dat we ons geld in Burkina Faso achterlaten. De man begint te lachen, zet een aankomststempel in onze paspoorten en drukt me op het hart dat we deze in de hoofdstad moeten betalen en verlengen. “Maar wij komen niet in de hoofdstad (helemaal in het zuiden van het land)… wij rijden naar Nadobá…dat is hier maar 150 km vandaan… en dus komen wij vandaag nog aan in Togo… en dus hoeven wij geen visum… alleen maar ‘een transit’”… De man lacht weer en roept mij na dat ik dan maar bij vertrek uit Benin aan grensovergang moet betalen. Prima idee (vooralsnog 20.000 CFA uitgespaard)! Iets verderop krijg ik bij de Douane een ‘carnet de passage’ voor 30 dagen voor 6.000 CFA (9 euro). De douanier keek niet eens naar de auto of de autopapieren en dus zijn we daar ook weer binnen 10 minuten vertrokken. Wat een feestje…
De natuur in Benin is fantastisch na het eentonige beeld in Burkina Faso. Heel groen, met schattige dorpen, voor het eerst weer in een andere vorm. Op de achtergrond prijken de palmbomen en de bergen, die voor een afwisselend beeld zorgen. Plotseling veranderen de huizen in kleine lemen kastelen… en zo rijden we off-road ruim 35 km een prachtige kastelenroute. We zwaaien naar de mannen bij de Gendarmerie en slaan links af naar de grens van Togo. Niet lang daarna passeren wij de douane van Benin waar ik onze ‘carnet de passage’ wil inleveren of wil laten afstempelen. “Zonde!”, zegt de vrolijke douanier. “Deze is vanmorgen pas ingegaan en dit document is 30 dagen geldig”. Tja… maar wij gaan uw mooie land al verlaten, want wij rijden richting Togo. “Hou deze nou maar, misschien kom je één dezer dagen nog wel terug”, zegt de man enthousiast. Prima… ook weer opgelost. Als ik hem vraag of hij ook onze paspoorten wil afstempelen verwijst hij ons terug naar de Gendarmerie die wij net zijn gepasseerd. En dus rijden wij even een kilometer terug, waar twee knapen mij vrolijk twee exit-stempels geven, zonder dat wij een cent hoeven te betalen.
Dat was Benin: nu hebben we echt 20.000 CFA’s uitgespaard. Wij rijden terug naar de douane, vragen daar de juiste weg en zwaaien enthousiast… Op naar Togo!
De kastelenroute zet zich voort en bij het eerst volgende touwtje over de weg kunnen we Togo zo inrijden. Iets verderop hangt weer een touwtje over de weg. Langs deze versperring staat een houten tafel, een man van immigratie met een groot boek, die ons inschrijft ook al hebben we geen visum om Togo te bezoeken. Dat bedrag moeten we maar betalen als we het land verlaten. Prima joh, geen probleem. Als jullie erom vragen, dan betalen wij wel! We rijden door op onze prachtige route en betalen bij het eerst volgende hokje een toeristen-belasting van 4,5 euro om door dit prachtige landschap te mogen rijden. Eenmaal aangekomen op een mooie asfaltweg vinden we het hokje van de douane. Wat ik daar kom doen? Ik vertel de mannen dat wij graag met onze eigen auto door Togo willen rijden en dat ik graag een carnet de passage van de mannen wil. “Niet nodig”, roept de ‘patron’. “Jullie kunnen gewoon door Togo rijden: geen enkel probleem”. Geen politiemannen die ons onderweg naar een carnet of een assurantie gaan vragen? “Nee, jullie kunnen lekker door ons land rijden!” Of we wel nog een leuk cadeau voor ze hebben. “Nee, alleen bonbons voor de kleine kinderen!” “maar die heb ik”, zegt de patron. “Doe mij er daar maar een stel van!” Ik geef de man een stel snoepjes en ik krijg van hem een doos ‘anti-musquito-branders’. Lachen… voor het eerst in West Afrika ontvangen wij een cadeau!
We rijden verder… door een geciviliseerd Togo: alles asfalt, met nette auto’s op de weg, stenen huizen en net aangeklede mensen op fietsen en brommers. Rond 16.00 uur komen we aan in Kara, waar we per ongeluk een hotel complex oprijden. Ik vraag de dame achter de receptie of wij op de binnenplaats mogen camperen. Dat mag… voor 10.000 CFA’s, terwijl een kamer 5.000 CFA’s kost. Ik probeer in mijn beste Frans uit te leggen dat wij voor 5.000 CFA’s wel gebruik willen maken van de WC en douche, maar dat wij graag in onze eigen daktent slapen. Dat kan niet… dan kost het weer 10.000 CFA’s. En dus kopen we een kamer met WC en douche en zetten onze auto naast ons nieuwe huis op de motel-complex. Als we in de bar iets gedronken hebben zeg ik tegen de dame van de receptie dat wij haar 5.000 CFA’s gaan betalen voor de kamer, maar dat wij wel in onze eigen tent gaan slapen. Ik noem haar het voordeel dat ze de kamer morgen niet hoeft schoon te maken en dan gaat ze overstag. Ze begint keihard te lachen en zegt: “Slapen jullie vannacht maar lekker in jullie eigen tent!” En dat doen we… na een heerlijk bordje patat met een omelet ham-kaas en een halve liter cola!
05 december 2009 Kara – Kpalimé – 333 km Een fantastisch stukje Afrika!
Na het ontbijt vertrekken we gelijk… ondanks alle uitnodigingen van enthousiaste Togolesen die vandaag een feest vieren. Togo is prachtig, de route door het groen fantastisch en in de dorpen die wij passeren lijkt overal een braderie te zijn. Alleen de weg.. .die valt wat tegen. Weliswaar asfalt, maar met mega grote kuilen erin. Na 333 km door een prachtig stukje Afrika te zijn gereden, strijken we neer in een klein hotelletje in Kpalimé. De Togoleesjes zijn vandaag onze zwarte pieten en de dag was ons Sinterklaasgeschenk!
06 december 2009 Kpalimé Meral & Dino gaan trouwen: wij drinken een borrel!
We zitten om zeven uur al aan het ontbijt! Echt niet in de gaten gehad dat het zo vroeg was. Een fatsoenlijk kopje thee, vers brood, heerlijke jam en een omeletje. We blijven deze ochtend eens heerlijk op de sfeervolle en groene binnenplaats van ons ‘hotel’. Ik kruip achter de computer om ons dagboek bij te houden en Ronald kruipt onder de auto om het brandstofpompje schoon te maken. We hebben nog meer dan 100 liter diesel in onze tweede tank, maar om een of andere reden kunnen we het niet meer naar de eerste tank pompen. Als ik de parkeerplaats oploop om te kijken hoe het Ronald vergaat, zie ik dat hij een werkmaatje heeft gevonden die onze auto wast. “Daar was hij ongevraagd al mee begonnen”, zegt Ronald, die helemaal trots kijkt, omdat de pomp het weer doet. Ik geef de autowasser een tros bakbananen en Ronald geeft hem 2.000 CFA’s. Hij staat te dansen… en wij hebben voor 3 euro de hele auto weer schoon!
We lopen het dorp in: een en al houten stalletjes langs de kant en overal wordt van alles verkocht. Het is hier een heel stuk geciviliseerder dan in Burkina Faso of Mali, dat zie je gelijk. Na een lange wandeling strijken we neer op een terras. Meral en Dino zijn net een uur getrouwd en daar willen we op drinken. En zo zit Ronald enkele minuten later achter 600 ml Sprite en ik achter 600 ml Fanta. En dat voor 1,50 euro. Daar kunnen we geen buil aan vallen en dus drinken we allebei nog zo’n fles ter ere van het huwelijk van onze vrienden. Blijkbaar zitten we in het leukste eetcafé van de stad, want binnen stroomt het vol met gasten. Wij, buitenlanders, zijn de enige idioten die op het terras zitten. Dat is wel heet, maar… dat geeft veel goedkoop vermaak:
Alle mannen dragen hier broeken en shirts in de kleurrijke stoffen die elders alleen door dames worden gedragen: het zijn echte sjieke ape-pakjes.
We zien voor het eerst weer een man in korte broek, en… die heeft haar op zijn benen!
Er crossen brommertjes voorbij met voorop een kind, dan een papa, dan een groter kind, dan een mama met een kleine baby op haar rug.
Verder lopen er een aantal dames in dezelfde Afrikaanse outfit: vast bedrijfskleding!
Vanaf Burkina Faso zien we alleen maar vrouwen met pruiken. Mijn theorie: Vrouwen dragen al van jongs af aan zo veel op hun hoofd dat er geen haar meer op groeit!
Er passeren Toyota-busjes met zeker 24 passagiers met drie etages spullen op het dak!
We zien voor het eerst weer verpakt ijs te koop bij ijscoboertjes op bakfietsen.
Hier in Togo zijn grafstenen te koop: dat hebben we nergens anders gezien in West Afrika.
Als onze buik helemaal vol zit met frisdrank en wij vinden dat we vaak genoeg hebben getoost op dé bruiloft van de dag keren we ‘huiswaarts’. Het was een bijzondere dag tussen allemaal unieke en bijzondere mensen!
Artikelen (RSS)